Email

Waar komen de varens vandaan? (I)     (II)

VarenHet verschijnen van de varens is het best te vergelijken met een opdoemen uit de mist. Eerst zie je vormen die vagelijk aan varens doen denken en langzamerhand wordt het beeld scherper. En tenslotte weet je het zeker: Dit is een echte varen.
Meestal wordt een varen omschreven als een sporenplant (cryptogaam) waarbij de sporangia zich uit het blad ontwikkelen. Voor recente varens is dit een bruikbare definitie, maar voor fossiele varens is dat niet altijd het geval omdat je daarbij bent aangewezen op de resten die toevallig bewaard zijn gebleven.
Andere kenmerken van varens kunnen zijn:
- de jonge blaadjes ontrollen zich (meestal)
- er is geen secundair hout (boomvarens hebben een andere manier om stammen te vormen dan naald- en loofbomen)
- de bladeren zijn meestal samengesteld (geveerd)
- er komen aphlebia's voor: dat zijn blaadjes met een afwijkende vorm, die aan de basis van een veer zitten
- uit de sporen ontwikkelen zich vrijstaande gametofyten (prothallia, voorkiemen).
Volgens de nieuwste inzichten behoren ook de paardenstaarten en Psilotum tot de varens, maar in dit artikel worden zij niet meegenomen.

Zeer oude planten
CooksoniaDe oudste, met het blote oog zichtbare fossielen van landplanten dateren uit het Midden-Siluur (425 miljoen jaar) van Ierland. Het zijn zeer kleine plantjes, Cooksonia geheten, van enkele centimeters hoog. Geen blaadjes, geen bloemen, geen zaadjes, maar alleen vorkvormig vertakkende stengeltjes met een sporangium aan de top (klik op de figuur rechts).

RhyniaBij het Schotse plaatsje Rhynie heeft men een verkiezelde flora gevonden, die dateert uit het Onder-Devoon (408 miljoen jaar) en die verbazingwekkend goed bewaard is gebleven. De afbeelding links toont een doorsnede van een stengel met een diameter van 1,3 mm van de plant Rhynia, waarin alle cellen nog te zien zijn. Rhynia was een sporenplantje zonder blaadjes van zo'n 15 cm hoog.


Tijdschema De groep zeer oude planten als Cooksonia en Rhynia wordt wel Rhyniophyta genoemd. Het is een zustergroep van de wolfsklauwachtigen, die zich ook al heel vroeg ontwikkeld hebben.
Uit de Rhyniophyta is tijdens het Devoon (410 - 355 miljoen jaar) een (in onze ogen vaak vreemd uitziende) flora ontstaan, waartussen zich ook de voorlopers van de varens hebben bevonden.
Geleidelijk aan kwamen hogere planten voor: tot zo'n 50 cm in het Vroeg-Devoon, kleine bomen in het Midden-Devoon en hoge bomen (tot 10 m) in het Laat-Devoon. Vanaf het Midden-Devoon begonnen zich de eerste zaadplanten te ontwikkelen. Echte bladeren verschenen pas (spaarzaam) in het Laat-Devoon.

Vroege varenachtige planten
Rhacophyton
Welke Devonische planten voorlopers van de varens zijn, is niet met zekerheid bekend. Diverse groepen worden genoemd, maar er bestaat geen eenstemmigheid over. Veel van die oude planten vertonen kenmerken van varens, maar hebben daarnaast ook eigenschappen die bij andere groepen horen, b.v. bij coniferen, zoals de aanwezigheid van secundair hout.
RhacophytonEen plant die tamelijk dicht bij de varens lijkt te staan, is Rhacophyton condrusorum, die onder meer in België wordt gevonden.
Deze plant had een vertakkingssysteem, waarbij de hoofdas en de zijtakken in één vlak lagen, maar waarbij verdere vertakkingen driedimensionaal waren (klik op de afbeelding links). Het feit dat de Rhacophyton sporangiahoofdas en de aangehechte zijtakken in één vlak lagen, wordt opgevat als een voorstadium van bladvorming: bij de vroegere planten vormden alle assen een driedimensionaal systeem.
De sporangia stonden in clusters (klik op de afbeelding rechts). Aan de basis van een zijtak zat een fijn verdeeld blaadje, dat aphlebia wordt genoemd.
Rhacophyton kan waarschijnlijk het best gezien worden als een stadium in de evolutie dat nog minder ver ontwikkeld was dan de oudste echte varens. Hierbij is het beslist niet zeker dat het ook een echt tussenstadium was in de evolutie van de varens.


Een theorie
Zimmerman heeft in 1930 een theorie gelanceerd, waarbij hij een aantal evolutionaire processen beschrijft, die onder meer leiden tot het ontstaan van varenachtige bladeren.

Zimmermann

Een van de processen is planatie of afplatting (B). Hierbij komen vertakkingen die deel uitmaken van een driedimensionaal geheel (zoals bij Rhacophyton) in één vlak te liggen. Voordeel kan zijn dat meer licht wordt opgevangen.
Een ander proces is webbing of verweving (C). Daarbij raken de vertakkingen met elkaar verbonden door celweefsel en ontstaat een soort bladschijf.
Als de zijtakjes regelmatig aan weerszijden van een as geplaatst zijn, is het voor te stellen dat een varenachtig blad ontstaat (D).
Natuurlijk is dit slechts een theorie, maar heel veel van de tussenfasen zijn inderdaad aangetroffen. Men spreekt van de teloomtheorie, waarbij telomen de eindtakjes zijn.

Planten uit de orde van de Zygopteridales worden ook tot de vroege varenachtige planten gerekend. Ze hebben complexe, in paren staande bladeren en vertakkingen tot in de vierde orde (viermaal vertakt). Ze verschijnen aan het einde van het Devoon (340 miljoen jaar) en sterven uit in de loop van het Perm (250 miljoen jaar).
AlloiopterisTot deze groep behoren onder meer het genus Alloiopteris (afbeelding links) en de soort Nemejcopteris feminaeformis (rechts). Nemejcopteris
De aphlebia's van deze groep zijn interessant omdat ze vele malen vorkvormig vertakt zijn en omdat ze in sommige geslachten driedimensionaal en in andere afgeplat zijn.
De planten in deze groep hadden echte blaadjes, maar deze waren nog wel klein. Men denkt dat ze vooral op wat drogere plaatsen met veel licht in het steenkolenmoeras groeiden.

Bovenstaande (uitgestorven) groepen worden door Taylor et al (2009) niet tot de echte varens maar tot de varenachtigen gerekend. Van de overige groepen varens bestaan in de meeste gevallen nog niet-uitgestorven soorten. Taylor et al verdelen ze in Marattiales (Marattia-achtigen), Ophioglossales (addertong-achtigen) en leptosporangiate varens. De nog bestaande soorten van de eerste groep zijn te beschouwen als levende fossielen. De overgrote meerderheid van de hedendaagse varens behoort tot de derde groep.
Botanici, die met hedendaags materiaal werken, gebruiken vaak vaak andere indelingen.

Varens en zaadvarens
NeuropterisDe steenkolenflora uit het Boven-Carboon lijkt op het eerste gezicht erg rijk te zijn aan varens. PecopterisDit is echter schijn, omdat de meeste varenachtige bladeren afkomstig zijn van naaktzadige planten (foto links). Deze worden aangeduid met de misleidende term ' zaadvarens'. Het zijn immers geen varens, maar zaadplanten. Van de vele varenachtige fossielen die in het Boven-Carboon gevonden worden, is het grootste deel afkomstig van zaadvarens. Pas in het jongste Carboon werden de echte varens dominant. Een bekend voorbeeld van een echte varen is Pecopteris (foto rechts).
Van veel bladfossielen uit het Carboon is nog niet bekend of het om een varen of een zaadvaren gaat. Veel van zulke gevallen worden in een kunstmatig geslacht ondergebracht op grond van gelijkenis van vorm en nervatuur. Een voorbeeld van zo'n kunstmatig geslacht is Sphenopteris (Afb 11). Zodra zo'n blad met sporendoosjes of met een aangehecht zaad gevonden wordt, krijgt het een plaatsje in een natuurlijk genus (met een andere genus-naam). Zo'n kunstmatig genus is dus een verzamelbak van vormen waarmee men nog niet goed raad weet.

Vervolg                                     Sphenopteris                                     Top