Een beknopt overzicht van de ontwikkeling van de flora
IV. Vroeg-Krijt - heden |
I. Siluur en
Devoon II. Carboon en Vroeg-Perm III. Perm - Vroeg-Krijt |
De bedektzadigen waren veel succesvoller dan de naaktzadigen. Dat ligt waarschijnlijk aan de efficiëntere manier van voortplanten, maar ook aan de andere structuur van de weefsels. Voor de voortplanting werd een verbond gesloten met de insecten (en sommige vogels en zoogdieren), zodat die konden helpen bij de bestuiving. Dit had tevens de opkomst van kleuren en vormen in de bloemen tot gevolg.
Fossielen van bloemplanten uit het Krijt zijn nog vrij zeldzaam. Meestal gaat het daarbij om blaadjes van bomen en struiken. Kruidachtige planten hebben veel minder kans om te fossiliseren. En bloemen maken al helemaal weinig kans. Als primitieve bedektzadigen gelden vooral de magnolia-achtigen. Zij hebben een primitieve bouw van de bloemen. Maar er toch discussie over, want DNA-onderzoek wijst in een andere richting. Andere vroege bedektzadigen zijn b.v. de noot, de laurier en de waterlelie.
De bloemplanten komen zonder al te veel kleerscheuren door de grote uitsterving aan het eind van het Krijt heen. Wel zijn er aanwijzingen dat de aarde gedurende een zekere tijd (b.v. 100 000 jaar) geheel bedekt is geweest met varens voordat de bloemplanten het stokje weer overnamen.
![]() |
Oude Tertiaire bedektzadige (en andere) planten komen uit de travertijnberg van Sézanne in Frankrijk. Travertijn is kalksinter die zich vormt als kalkhoudend water uit een berghelling te voorschijn komt. De kalk zet zich dan af op alle wat er ligt dus ook op plantenresten en eventuele dode diertjes. Meestal verweert dat travertijn weer snel maar bij Sézanne is het verkiezeld en dus heel hard geworden. De fossielen van Sézanne zijn zo'n 60 miljoen jaar oud. De blaadjes zijn moeilijk op naam te brengen en er is nog niet veel variatie in. De plaats is beroemd in Frankrijk omdat daar ook de oudste wijnrank is gevonden (zie afbeelding links). | ![]() |
Tijdens het Eoceen ontstonden grote grasvlakten.
Gras heeft de bijzondere eigenschap dat het beter tegen begrazing kan dan
andere bedektzadige planten. Terwijl de oerpaardjes nog in de bossen leefden,
begaven latere paardensoorten zich meer in open ruimte en begonnen gras te
eten. Waarschijnlijk zijn de grote grasvlakten ontstaan door co-evolutie
van grazers en gras. Dat wil zeggen er een wisselwerking was tussen deze
grazers en gras: de grazers vraten het gras, het gras veranderde om te overleven,
de grazers pasten zich weer aan aan de nieuwe grassoorten, etc.
![]() |
De kliffen langs de kust van het eiland Sheppey (Engeland) zijn erg instabiel: geregeld zakken stukken in elkaar (zie foto links). Dat is vervelend voor de bewoners, maar er komen zo wel allerlei plantenresten, vooral zaden, op het strand te liggen. Die zijn uit het Eoceen afkomstig en ongeveer 50 miljoen jaar oud. Uit die zaden blijkt dat er in die tijd ter plaatse een moerasbos met mangroves groeide. Dankzij de fossielen is het mogelijk na te gaan wat voor planten in dat bos groeiden. In het boek De evolutie van planten en bloemen van B. Thomas (1982) staat een mooie reconstructie van zo'n bos. Klik hier om deze te zien. | ![]() |
Als je de fossiele bedektzadigen wilt leren kennen, moet je veel kennis hebben van de huidige flora, omdat je de fossielen daarmee moet vergelijken. Dat is heel anders dan met de oudere plantenfossielen, waarvan vaak geen recente familieleden meer bestaan.
Echt jonge fossielen kunnen bijvoorbeeld verzameld worden in het travertijn van Burgtonna in Thüringen. Deze kalksinter is pas zo'n 100 000 jaar geleden gevormd, gisteren dus. Het zit vol met takjes en blaadjes. En ook met kransalgen. Dat is interessant want men denkt dat de landplanten zo'n 500 miljoen jaar geleden uit kransalgen kunnen zijn ontstaan.
Al dat jonge spul (ik bedoel uit het Tertiair, dus jonger dan 65 miljoen jaar) ziet er wel leuk uit en is zeer geschikt voor vitrines. Persoonlijk ben ik toch meer gegrepen door de onooglijke, oude plantjes uit Siluur en Onder-Devoon. Maar smaken verschillen!
Hans Steur