IV. Was Prototaxites een korstmos? |
I. Het
fossiel II. Een paddenstoel? (Hueber) III. Een alg? (Schweitzer) V. Bijzonderheden VI. Literatuur en dank |
In 2002 verscheen in reactie op Huebers artikel een stuk van Marc-André Selosse uit Parijs over Prototaxites. Hij toont daarin veel waardering voor het werk van Hueber, maar heeft daarnaast toch ernstige twijfels. En wel op drie punten.
1. De resten van voortplantingsorganen, die Hueber beschrijft, zijn niet overtuigend en erg onvolledig. En het is vreemd dat er geen sporen zijn aangetroffen, ook niet in de directe omgeving van ingebedde stukken Prototaxites. Dat is ook jammer want sporen van steeltjeszwammen zijn gemakkelijk herkenbaar aan een klein aanhangsel.
2. Het enorme formaat van de paddenstoel is niet goed te verklaren. Organismen worden groot door concurrentie met andere organismen, maar de planten werden in het Vroeg-Devoon niet veel hoger dan 50 cm. Het is bovendien twijfelachtig hoe de reuzenpaddenstoel aan zijn voedsel moest komen. Een vuistregel is dat de biomassa in bossen op een bepaald niveau van de voedselketen maximaal ongeveer 10 % is van die van de laag eronder. De schimmels hebben een massa van zo'n 10 % van de humuslaag waarin zij leven. Prototaxites daarentegen lijkt een ongeveer even grote massa te hebben gehad als de laag waarop hij leefde.
3. Prototaxites stierf uit in het Laat-Devoon. Hueber zegt dat dat wellicht veroorzaakt werd door vraat van dieren en door de concurrentie van bomen en struiken. Dat laatste klopt echter niet, want schimmels en planten zijn geen voedselconcurrenten en een paddenstoel is niet afhankelijk van licht. Planten brengen alleen maar meer voedsel aan voor schimmels.
Selosse denkt dat deze bezwaren ondervangen kunnen worden door aan te nemen dat Prototaxites een korstmos (lichen) was, dat wil zeggen een samenlevingsvorm van een schimmel en een alg, waarvan beide voordeel hebben (symbiose). Schimmels kunnen met hun mycelium mineralen en water uit de bodem halen, terwijl algen met hun bladgroen uit koolzuurgas en water voedingsstoffen kunnen maken. Bovendien bieden alg en schimmel elkaar bescherming in moeilijke omstandigheden.
De alg zou volgens Selosse aan de buitenkant van de jongste groeilaag van de Prototaxitesstam gezeten hebben, omdat daar het licht opgevangen kon worden. De binnenin gelegen algen zouden afgestorven zijn bij gebrek aan licht, maar de buisjes bleven intact en door hun stevige structuur boden ze stevigheid aan het geheel. De zg. skelethyfen zouden volgens Selosse de algen zijn geweest. Er bestaan ook nu nog algen die buisjes vormen zonder septen. De groei is daarbij geconcentreerd in de punt en om het teruglopen van het protoplasma te voorkomen, vormt zich een tijdelijk tussenschot. De rest van de buis is leeg. Het is denkbaar dat de alg van dit type was. Groene algen kunnen ook chemische stoffen vormen die de wand stevig maken.
De grootte van het organisme kan te maken hebben met het voordeel dat
een groter oppervlak biedt voor de voedselproduktie door de alg. Selosse
noemt ook concurrentie met andere planten maar dat geldt m.i. niet voor het
Vroeg-Devoon.
Een interessant en aantrekkelijk idee (van Hans-Jürgen Weiss) is
de mogelijkheid dat het grote formaat wijst op succulentie. Succulentie
is het verschijnsel dat planten dik en groot worden om in schaarse natte
periodes in korte tijd veel water op te kunnen slaan. Een voorbeeld zijn
cactussen in een woestijnomgeving.
Het ontbreken van voortplantingsstructuren kan verklaard worden door aan te nemen dat Prototaxites zich vegetatief voorplantte, hetgeen ook bij recente korstmossen voorkomt. Bijvoorbeeld doordat loslatende stukjes zich tot een nieuw individu kunnen ontwikkelen.
Het uitsterven kan in dit geval wèl uit de concurrentie met de steeds dichter wordende begroeiing verklaard worden.
| Tenslotte Al met al kan geconcludeerd worden dat we er nog niet uit zijn. Prototaxites zal geen alg zijn, maar misschien is het een reuzenzwam, en wie weet ligt de waarheid in het midden en is het een combinatie van een alg en een zwam, namelijk een reuzenkorstmos. Op dit moment gooit de zwamtheorie de hoogste ogen dankzij de publikatie van Boyce et al (2007). Het is even wennen aan het idee, maar libelles met een spanwijdte van 70 cm en dinosauriërs van 35 m vinden we nu toch ook acceptabel. En een tijdsverschil van 400 miljoen jaar met het heden is geen kleinigheid. En Jules Verne heeft het al voorspeld dat er reuzenpaddenstoelen zouden kunnen bestaan in zijn Reis naar het middelpunt van de Aarde ...
|
![]() |